De vondsten waren door het 'toeval' aan het licht gekomen
De vondsten waren door het 'toeval' aan het licht gekomen. Dirk Westbroek was een dagloner uit de buurt, die in december 1852 een stuk heide ten zuidoosten van Hilversum, ongeveer driekwartier gaans van de dorpskern, moest omspitten. De eigenaar, ene J.H.C. van Hengst uit Utrecht, zag geen toekomst meer in het weiden van schapen op de heide en wilde op zijn land naaldbomen laten planten. Op ongeveer een halve meter diepte, zo vertelde Westbroek later, stuitte hij op houtskool en enkele platte stenen die in een hoefijzervorm waren neergelegd. Hij meldde de vondst bij Van Hengst, die hem toestemming gaf de stenen te verkopen. Westbroek ging met zijn verhaal ook naar de burgemeester van Maartensdijk, F.N.M. Eyck van Zuilichem, die als een van de eersten een studie over middeleeuwse architectuur had geschreven en van wie Westbroek wist dat hij belangstelling voor oudheden had. De burgemeester toonde zich zeer geinteresseerd en vroeg Westbroek ook te letten op mogelijke stenen werktuigen. Om hem te helpen vertelde Eyck van Zuilichem nauwkeurig de kenmerken van zulke werktuigen. En zowaar, korte tijd later verscheen de zoon van de arbeider bij de burgemeester met in zijn handen enkele bewerkte stenen werktuigen zoals pijlpunten en wiggen. Eyck liet het buitenkansje niet lopen en kocht tien werktuigen. De vondst leek hem zo bijzonder dat hij besloot Janssen, die in Leiden met Nederlandse Oudheden was belast, op de hoogte te brengen. Janssen toonde belangstelling en zette Westbroek meteen aan het werk waarbij de dagloner in zes maanden tijd zeventien haardsteden bloot legde. De notaris Perk mocht uiteindelijk zelf een haardstede lichten en de vondsten mee naar huis nemen. Alle andere vondsten kwamen terecht in het Rijksmuseum van Oudheden. Gepensioneerd archeoloog Jan Albert Bakker hoorde van professor Brunsting, de toenmalige conservator van de Nederlandse afdeling van het Rijksmuseum van Oudheden, in 1957 dat de haardsteden en hun inhoud zonder twijfel vals waren. De voorwerpen bleken gemaakt te zijn van zachte, gemakkelijk bij te schuren zandsteen en van langwerpige zwerfstenen, die met een slijpsteen waren bijgeslepen. Westbroek had goed geluisterd naar Eyck, toen die hem uitlegde op wat voor stenen voorwerpen hij moest letten. Hij had de notabelen precies geleverd wat ze gehoopt hadden. Het leverde de dagloner, die in de paupernederzetting Hollandsche Rading-Oost in een schamele hut woonde, een lucratieve handel op, want hij zou de wiggen voor vijftig cent per stuk hebben verkocht
De vondsten waren door het 'toeval' aan het licht gekomen (1853).
Dit beeld komt uit de collectie van The province of North Holland.
- Bron
- The province of North Holland
- Betrouwbaarheid
- midden
- Jaar
- 1853
- Rechten
- CC BY-SA 4.0licentie ↗wat mag ik hiermee?
- Origineel
- bekijk bij de bron ↗
Verankerd op Brunsting – names Brunsting in its own title (no competing place). Het onderschrift is automatisch opgesteld uit de metadata van de bron en is nog niet door een mens gecontroleerd.